Italia Bella, het zoete leven in een borgo
Alle Italianen zijn gelijk, maar sommige zijn meer gelijk dan andere. (vrij naar George Orwell)
Annarita steekt haar hand omhoog. De ondergaande zon schijnt tussen de gespreide vingers door.
‘Anche le dita dello mano non sono uguail’– de vingers van een hand zijn ook niet gelijk. Ze neemt een slokje van haar spritz en pakt voorzichtig een pinda. ‘Zeker niet hier in de buurt,’ Zegt ze, voordat ze het nootje in haar mond stopt.
Ooit, in een ver grijs verleden, was een gladgestreken huis hét symbool van rijkdom. Palazzo’s in steden werden gestukt en beschilderd, bij voorkeur met fresco’s van de hand van de schilder die op dat moment helemaal in de mode was. Als je die niet kon betalen, verfde je de woning uit armoede maar egaal in een kleur: okergeel, oranje of zo’n andere mooie mediterraanse kleur. Als je echt iets te makken had, koos je natuurlijk voor marmer of natuursteen, maar dat is een ander verhaal.
Bologna was rijk. Firenze was rijk. De streek waar wij wonen -de Apennijnen precies daartussenin- was niet rijk. De boeren en handwerkslieden hier bouwden hun huizen ‘in sasso’ van natuursteen. Wat toeristen uit Noord-Europa tegenwoordig juist weer prachtig vinden.
Als een herenboer of een notabele iets meer geld had, wilde hij nog wel eens ‘stads’ gaan doen. Dan liet hij zijn natuurstenen huis plamuren en schilderen. Niet helemaal natuurlijk, het bleven Italianen en far’ buon figura, goede sier maken, zit diep in de landsaard. Meestal is dus alleen de voorgevel gestukt en één meter de hoek om. De rest zag je toch niet vanaf de straatkant en die vinden wij dus nog wel mooi.
Onze borgo was nooit rijk en zeker in de vijftiende eeuw werd er hier niet geplamuurd. Alle huizen hebben dus nog steeds hun stenen muren. Als het tegenzit óók nog steeds gevoegd met ouderwetse kalkmortel. Begin jaren tachtig drong het tot gemeentes en provincies door dat het misschien een goed idee was deze middeleeuwse borgo’s te conserveren en beschermen. Dus kwamen er regels, want het vastleggen van regels zit óók diep in het Italiaanse systeem. Die regels gaan best wel ver, vaak. Gelukkig hebben ze vooral betrekking op de buitenkant. Ramen mogen niet groter worden gemaakt, de ingang mag niet verplaatst en voor de luiken zijn vaste kleuren vastgesteld én ze moeten van hout zijn. Stuken of op een andere manier het oorspronkelijke steenwerk verbergen, is natuurlijk helemaal uit den boze.
Het huis van Laura is de uitzondering op de regel. Het is het enige stuk van de borgo dat je vanaf de strada provinciale goed kunt zien. Wat vooral opvalt is, dat het gestukt is én heel erg oranje. Het is ook het enige huis met een directe opgang vanaf de provinciale. Om bij de rest van de borgo te komen, moet je vlak na haar woning een smal straatje nemen dat nogal stijl omhoog gaat. Niet handig maar je went eraan.
Marco en Diana onze buren, hebben hun eerste glas al op, als Annarita langs komt lopen. Ze heeft rucola en wilde sla geplukt. Als ze de mand in de schaduw mag zetten, slaat ze een aperitivo natuurlijk niet af. Het gesprek komt op het oranje gevaarte van Laura, dat vanaf ons terras niet te missen is. Laura heeft het drie jaar geleden gekocht. Ze woont hier dus vier maanden langer dan wij. Sindsdien is ze aan het verbouwen. Het is een lijdensweg die door de hele borgo intensief wordt gevolgd en besproken. Maar het stuk- en schilderwerk aan de buitenkant van het huis is niet het werk van Laura. Dat zat er al toen ze het kocht.
‘Was dat het huis van de rijkste man uit de Casigno, vroeger?’ Annarita begrijpt mijn vraag niet. ‘Alleen heel rijke mensen lieten vroeger toch hun huis stuken en schilderen? Dit huis is zelfs aan alle kanten glad én het heeft een eigen opgang vanaf de straat.’
‘Ma dai, kom nou, dat huis was van de Bartoli. Lieve mensen maar ze hadden geen cent te makken. Het was ook altijd in sasso, tot Barto Dall’Olio het kocht,’ Annarita is tachtig dus ik ga er automatisch vanuit dat dit al wel lang geleden zal zijn. ‘tweeëntwintig jaar geleden, vlak voor jullie hier kwamen wonen.’ Ze wijst naar Marco en Diana. ‘Toen was de ingang ook nog daar.’ Ze wijst naar het hek, dat nu de ingang van de tuin boven is. In geuren en kleuren vertelt ze over Barto, die grootse plannen had met het pand. Het zou een soort hotel-restaurant worden, heel luxe en exclusief. Dus moest de buitenkant dat ook uitstralen en er moest een aparte oprit. De neef van Giuliano, die nu in Bologna werkt heeft er goed aan verdiend.
‘Maar dat mag toch helemaal niet?’ val ik haar in de rede. ‘Was de borgo toen nog geen beschermd dorpsgezicht?’
‘Natuurlijk wel, dat is het al veertig jaar.’ Haar lippen sluiten zich om het rietje van haar spritz, maar ze neemt geen slokje. ‘Je moet weten dat Barto een geometra was.’ Ik stel me meteen voor hoe hij vanuit zijn werk de regels zo goed kende, dat hij … Maar Annarita is me voor. ‘Hij was toevallig ook de geometra die bijna al het werk voor de gemeente deed.’ Ik kijk naar de blauwe aders in haar tanige hand. Het licht lijkt er doorheen te vallen.
‘Anche le dite del mano non sono ugual’, de vingers van een hand zijn ook niet gelijk.’ Marco en Diana knikken. Dit is logisch.
‘Die oprit was trouwens wel heel handig voor de ambulance. Ook al is die hartaanval hem uiteindelijk toch fataal geworden.’